Vegetatie

Algemeen

Het Burreken kan grofweg getypeerd worden als een rest-natuurlijk bos (Hermy, 1989). Het is een oud boscomplex, waarvan de hakhoutlaag in de meeste percelen niet recent opnieuw is ingeplant.
De grote ecologische waarde van het Burreken-complex wordt bepaald door verschillende factoren (Hermy, 1989): de zeldzaamheid van, en de grote diversiteit aan levensgemeenschappen (vnl. bosvegetaties s.l.) en soorten, en de onvervangbaarheid en kwetsbaarheid van het ecosysteem (bronbossen!). Bovendien zijn delen van het Burreken representatief voor oude bossen (ouder dan 200 jaar) (Hermy, 1989).
Uit een vegetatiekundige studie van bronbossen in het hele Zuidvlaamse heuvelland (O- en W-Vlaanderen) en het Schelde-Leie-interfluvium, bleek het Burreken-complex zonder meer het meest waardevolle te zijn van het hele studiegebied (Kinds, 1983).

De hieronder beschreven vegetatietypen kun je terugvinden op de bijhorende kaart (zie inventarisaties)

Bronbossen (Carici remotae-Fraxinetum)

Bronbosvegetaties komen voor in het volledige gebied van het Burreken, waar ze meestal smalle groeistroken vormen langs bronbeekjes en de lager gelegen beekboorden. Op plaatsen waar verschillende bronnen dicht bij elkaar liggen of kwelwater diffuus uittreedt, komen ook vlekvormige bronbosvegetaties voor.
Van nature bestaat de boomlaag van bronbossen vnl. uit Zwarte els, Gewone es en Hazelaar. In het Burreken komen bronbosvegetaties voor onder diverse (grotendeels) aangeplante bestanden. Deze bestanden verschillen, mede door het punt of lintvormige karakter van de bronbosvegetaties nauwelijks van deze van de andere bosvegetaties (zie verder). Algemeen kan gesteld worden dat op de plaatsen waar de bronbosvegetaties het best ontwikkeld zijn er minder Beuk voorkomt in het bestand. De mooiste bronbosvegetaties komen voor onder bestanden van vnl. Canadapopulier en Gewone es.
De bronbossen in het Burreken zijn zeer soortenrijk te noemen. In het meest typische geval komen hier Paarbladig en Verspreidbladig goudveil, Bittere veldkers, IJle zegge, Hangende zegge en Reuzenpaardenstaart voor. Minder algemeen zijn Dotterbloem, Bosbies, Bergereprijs, Longkruid en Boswederik, in de zuidoostelijke uitloper van perimeter 1  zelfs donkere ooievaarsbek.

Langs de Krombeek treffen we zeer rijke overgangen aan tussen bronbos en Elzen-Olmen-Essenbos. Het betreft hier in feite een beekbegeleidende variant met zeer veel Daslook en verder naast de eerder genoemde bronbossoorten ook o.a. Gele dovenetel,  Bosanemoon, Slanke sleutelbloem, Eenbes, Klaverzuring, Muskuskruid en diverse ruigtekruiden. De boomlaag bestaat vnl. uit Canadapopulier (op termijn spontane omvorming naar es, els); de hakhoutlaag vnl. uit Hazelaar.


Een derde "type" bronbosvegetaties is minder uitgesproken. Het betreft enkele zeer smalle stroken gelegen onder eenvormige Beukenbestanden met een dik bladerdek of onder een eerder acidofiele bosvegetatie (met o.a. Dalkruid). Ruige veldbies, Boswederik en Gele dovenetel zijn de belangrijkste soorten. De steile en erosiegevoelige helling, waarop kwelwater uittreedt en de zuurdere omstandigheden zijn wellicht oorzaak van het minder goed ontwikkelde karakter en de geringere soortenrijkdom van dit type.

Essen-elsen-olmenbossen (Ulmo-Fraxinetum)

Dit type komt op een zeer beperkte oppervlakte voor in het alluvium van de centrale beken van het Burreken. Het zijn rijke vegetaties met o.m. Daslook, Speenkruid,Daslookperceel in volle glorie Slanke sleutelbloem, Eenbes, Dagkoekoeksbloem, Boszegge, Bosanemoon, Spekwortel (zeldzaam), Zevenblad, Nagelkruid,Muskuskruid, Grote keverorchis, Eenbes, Pinksterbloem, Gevlekte aronskelk,  en op de vochtigste plekken Dotterbloem, Moerasspirea, Valeriaan en Hangende zegge. In de boomlaag treffen we hier vooral Canadapopulier en Gewone es aan. Op een enkel perceel in perimeter 1 is Zomereik aangeplant. Mozaïekvormen met bronbosvegetaties zijn legio.

Bosanemoon

Bosanemoon

 

 

Essen-Eikenbossen met Boshyacint (Endymio-Carpinetum)

Deze benaming is een verzamelnaam voor een aantal nauwverwante bosvegetaties, die afhankelijk van trofiegraad, kalkrijkdom en vochtigheidsgraad verschillen vertonen. Op de biologische waarderingskaart werden deze bosvegetaties als "Eiken-Haagbeukenbossen met Wilde hyacint" gekarteerd. In de door ons gebruikte indeling (volgens Hermy, 1985) worden Eiken-Haagbeuken-bossen juist onderscheiden door het ontbreken van Wilde hyacint.

Het voorjaarsaspect wordt in dit type bos echter vooral bepaald door Bosanemoon en Wilde hyacint. Soorten die frequent voorkomen zijn Kleine maagdenpalm, Slanke sleutelbloem, Boszegge, Wijfjesvaren, Ruwe smele, Gele dovenetel, Veelbloemige salomonszegel, Muskuskruid, Overblijvend bingelkruid en Witte klaverzuring. Minder algemeen zijn Aardbeiganzerik, Eenbloemig parelgras, Bergereprijs, Paarse schubwortel, Sneeuwklokje, Eenbes, Heelkruid en Gevlekt longkruid. Op een enkele plek groeit Stijve naaldvaren (steile helling).

zure variant
Op enkele drogere en wellicht ook zuurdere (sterk geërodeerde) bodems vinden we een variant met veel bramen in combinatie met Dalkruid, Adelaarsvaren, Zachte witbol en zelden Dubbelloof. Deze vegetaties neigen naar de Beuken-Eikenbossen van het Vlaamse district.
In de boomlaag is zeer vaak Beuk aangeplant. In andere percelen (vaak op lager gelegen delen en depressies) is Canadapopulier dominant. In een enkel perceel is dit Zomereik. Behalve de hoogste valleiflanken, waar hoofdzakelijk Beuk is ingeplant, hebben de meeste percelen een gemengde boomlaag met naast de hoger genoemde soorten vooral Gewone es, Zoete kers, Esdoorn en Tamme kastanje.
De hakhoutlaag is zwak (voornamelijk in de percelen met dominantie van Beuk) tot sterk ontwikkeld.
Hazelaar is veruit de belangrijkste soort in het hakhout van alle bostypes. In veel mindere mate komen Vlier, Haagbeuk, Es, Zoete kers, Zwarte els, Tamme kastanje en een enkele keer ook Spork voor in de hakhoutlaag.
In een tweetal percelen is er sprake van puur, zij het doorgeschoten hakhoutbos. De belangrijkste soorten zijn hier Tamme kastanje, Hazelaar en Zoete kers.

Populierenaanplant boven grasland of ruigte


In de meeste van deze percelen werd Canadapopulier aangeplant. Ruigtekruiden domineren de vegetatie. Enkele van deze percelen hebben echter een rijke vegetatie, die totaal afwijkt van de overige bos- en graslandvegetaties in het gebied. De aanplantingen op deze zeer natte percelen (invloed van kwel) zijn van recente oorsprong. Het betreft hier vooral soorten van het Dotterbloemverbond. (zie verder)

Gevlekte orchis

Midden in het centrale bosgedeelte van perimeter 1 ligt een voormalige "bosweide", waarlangs nog steeds duidelijk knotbomen (Haagbeuk en Meidoorn) voorkomen.Wellicht lag het perceel, voor het gebruikt werd als weide, ook onder bos. Naast ruigtekruiden komen hier immers soorten voor zoals Wilde hyacint, Bosanemoon, Daslook, Donkersporig bosviooltje en Maagdenpalm. Verder valt hier het Groot springzaad op, een zeldzame plant in Vlaanderen.

 

 

Een omvormingsbeheer werd/wordt uitgevoerd. Ofwel werden de populieren gekapt ofwel geringd. (zie ook bij beheer) Populieren met een belangrijke epyfietenflora (voornamelijk klimop) werden gespaard.

 

Gemengd struweel

Goed ontwikkelde vegetaties van mantels en zomen kwamen tot voor kort bijna nergens meer voor in het gebied. We vinden nog enkele restanten langs delen van de bronbeken die grenzen aan weiland.  Soorten uit deze milieus waren dan ook bijzonder schaars en kwamen eerder voor op lichtrijke plekjes in het bos of langs paden. Sinds er in het gebied extensief begraasd wordt ontstaat er op verschillende plaatsen struweelvorming.                                                                                                             
Op grasland aan de bovenloop van de krombeek ontstond op vrij korte tijd een vochtige ruigtezoom tussen grasland en bos met o.m. Grote bereklauw, Reuzepaardestaart, Margriet en Kale jonker en iets hogerop, Liggende vleugeltjesbloem (relict).


Een droge "zoomvegetatie" (Sa) ontwikkelde zich op een zandig talud in een extensief beweid grasland. Het betreft hier een zeer fraaie mozaïekvegetatie van Braam-, Meidoorn- en Bremstruweel, kortgrazige en ruigere graslandvegetaties. We treffen hier o.a. Rapunzelklokje, Reukgras, Kleine of Gewone veldbies, Knoopkruid, Margriet, Aardbeiganzerik, Sint-Janskruid, Valse salie, Biggekruid, Schapezuring en Veldzuring aan. Soorten die thuishoren in het glanshaververbond. Glanshavergrasland is voor een goede ontwikkeling aangewezen op de aanwezigheid van kalk, aanwezig in de vorm van fossiele schelpen in de bodem.

Dottergraslanden

Het gaat hier om bronweiden waarbij het water zowel puntvormig als diffuus (kwel) kan optreden. Enkele sterk door kwelwater beïnvloede vlekken in een graasweide hebben een dottergraslandvegetatie die gedomineerd wordt door Holpijp. Verder groeien hier, naast grassen van voedselrijke situaties (Engels raaigras, Ruw beemdgras, Gestreepte witbol...), Dotterbloem, Watermunt, Lidrus, Zomprus, Beekpunge en Egelboterbloem.
De meeste vochtige graslandpercelen zijn klein en grenzen aan bos. Sommige van deze vegetaties zijn verruigd en vormen zo een vochtige zoom waar Reuzepaardestaart, Grote bereklauw en Moesdistel domineert.
Andere soorten die in deze vegetaties frequent voorkomen zijn: Moerasspirea, Speenkruid, Pinksterbloem, Kale jonker, Moerasvergeet-me-nietje, Ruige zegge, Veldrus.... Zeldzamer in deze graslanden zijn  Bosorchis, Kluwenzuring en jawel Mansoor!

Soortenrijke graasweiden

De meeste weilanden in de valleigebieden zijn gelukkig nooit zwaar (over)bemest geweest.  Hier kunnen we oa nog Scherpe-en Kruipende boterbloem, Madeliefje, Witte klaver, Rode klaver, Gewoon biggekruid, Smalle weegbree, Kamgras, Reukgras, Vijfvingerkruid, Veldzuring en Schapezuring aantreffen.

Enkele kleinere percelen hebben een soortenrijke vegetatie van droge graslanden (gd {=droog grasland} afgekort op de vegetatiekaart) met bv. gewone veldbies.
Sommige wegbermen hebben een zeer vergelijkbare vegetatie.


De meeste graasweiden in de 3 perimeters hebben een vrij soortenarme vegetatie. Het zijn bemeste Beemdgras-Raaigrasweiden. Vochtig plekken, steile hellingen of droge kopjes in deze graslanden hebben een afwijkende vegetatie (één van de voorgaande types).

Akkers

Akkers in het Burreken hebben een uitdovend karakter. In april 2008 zijn in perimeter 1 de eerste percelen in beheer genomen. Deze worden nu jaarrond begraasd. (zie ook bij beheer). De verwachte massale opslag van distels bleef uit (had het iets te maken met het niet eggen van het vorige patattenveld??).

Juni 2008 Juni 2009
Kamilleveld-June_2008.jpg HPIM0829

 

kamilleveld-augustus-2010-vangkraal

Wat we wel kregen was een geurig tapijt van kamille aangevuld met varkensgras. De verwachting is dat er spontane bos-en struweelvorming zal plaatsvinden onder invloed van extensieve jaarrond begrazing door koeien en ezels. Eind 2008 waren de eerste essen-en elzenplantjes al massaal aanwezig.