Beheersplan
Extern beheer
Het extern beheer zal zich vnl. richten op het onderhouden van goede kontakten met omwonenden (sensibilisatie). Op langere termijn moet ook een verbetering van de waterkwaliteit van de beekjes in het hele gebied tot stand kunnen komen (opheffen van lozingspunten van huishoudelijk afvalwater, riolering, kleinschalige waterzuivering). Hiervoor zullen de nodige kontakten worden gelegd met de gemeentelijke overheid.
Verder moet gestreefd worden naar het extensiveren en op langere termijn stopzetten van de beekruimingen.
De invloed van bemesting van omliggende graslanden is een reëel gevaar. Wellicht zijn goed ontwikkelde bramenvegetaties in sommige percelen een gevolg van deze randeffecten (N-depositie). In hoeverre het grondwater (kwelstromen) belast is met nutriënten uit bemesting, is niet bekend. Het opzetten van een peilbuizennet in de toekomst (samenwerking met I.N.) kan hier een eerste aanzet zijn. Tevens kan dan ook onderzocht worden welke grondwaterstromen (diepe en/of ondiepe kwel) van belang zijn.
Intern beheer
Zoals je op de beheersvisiekaart kunt zien is het gebied opgedeeld in verschillende landschapsstreefbeelden. Let wel: dit zijn de grote lijnen van het beheersplan. Op perceelsniveau kunnen er allerlei tussenvormen voorkomen.
Gesloten landschap/bos:
- Niets doen/eventueel omvorming
- Spontane verbossing/aanplant
- Midddelhoutbeheer
Open landschap/Cultuurlandschap:
- Extensieve begrazing
- Maaien/hooien
- KLE
Intermediair open/gesloten:
- Jaarrondbegrazing/communaal systeem
GESLOTEN LANDSCHAP/BOS
In de huidige bosvegetaties zijn goede uitgangssituaties voorhanden om een volledig spontane ontwikkeling te laten gebeuren. We denken hierbij aan de vegetaties van "rest-natuurlijke bossen" (Hermy, 1989) (zoals het Burreken globaal gezien kan getypeerd worden) met een rijke spontane flora en een inheemse boomlaag, waar ook oude bomen in voorkomen. Tevens zijn heden bepaalde (vnl. bron-)vegetaties te kwetsbaar en te goed ontwikkeld om ingrepen in het bos toe te laten. Het doeltype is een structuurrijk loofbos met oude bomen, dode bomen, spontane verjonging en rijke voorjaarsflora. In een groter wordend reservaat kan het bos ook beter gebufferd worden; een noodzakelijke voorwaarde voor een niets doen-beheer.

Qua natuurlijkheid is het "bijna-natuurlijk bos" (Hermy, 1989) een doeltype op lange termijn. De huidige middelhoutstructuur van de meeste percelen zal immers nog zeer lang zichtbaar zijn in het bos.
Welke de uiteindelijke dominante boomsoort wordt binnen het Essen-Eikenbos met Wilde hyacint of binnen de bronbossen is moeilijk te voorspellen. Vooral bodemkenmerken zijn hiervoor bepalend.
Nietsdoen/omvormingsbeheer
Uniforme bosbestanden komen in aanmerking voor een omvormingsbeheer.
Op vele plaatsen is/was Canadapopulier dominant. Ofwel wordt er geopteerd om deze populieren te verwijderen/kappen ofwel laten we ze staan en worden er enkele geringd. Ringen is het aanbrengen van een inkeping rondom de boom van een 3-4 cm waardoor de sapstroom wordt onderbroken. De boom kan afhankelijk van de houtsoort nog jaren blijven rechtstaan. Daarna kiest men ofwel voor spontane verbossing ofwel gaat men bomen en struiken aanplanten. Liefst met autochtoon/streekeigen genetisch materiaal. De verder evolutie kan dan gaan in de richting van niets doen of middelhoutbeheer.

Eenvormige en gelijkjarige beukenbestanden die een eerder zwak ontwikkelde struiklaag hebben, komen eveneens in aanmerking voor een omvormingsbeheer. Hierbij wordt dan een selectieve dunning uitgevoerd door middel van het ringen van bomen. Hierdoor ontstaan verschillende kleine open plekken in het uniforme bos (10-15%). Een dergelijke dunning houdt in dat men naar vergroting van de ruimtelijke variatie streeft door van plek tot plek verschillen in dunnings- en lichtintensiteit aan te brengen. Een belangrijke nevendoelstelling is het creëren van rechtopstaand dood hardhout. Belangrijk omdat in het langzaam wegrottende hout veel dieren voedsel en nestgelegenheid vinden. De holten die hierdoor ontstaan zijn een ideale schuilplaats voor Steenmarters (nog niet waargenomen in het gebied) en Bosuil (broedend), om maar 2 karakteristieke soorten te noemen.
Bij het omvormingsbeheer wordt er in elk geval voor gezorgd dat het bosklimaat niet te sterk verstoord wordt omdat dit de herstelsuccessie vertraagd of zelfs voor lange tijd onmogelijk maakt door verruiging (Londo, 1991).
Spontane verbossing/aanplant
Op sommige voormalige akkers en weilanden zal er geopteerd worden om streekeigen bomen en struiken aan te planten, bijvoorbeeld met Winterlinde. Deze boomsoort die hier van nature thuishoort wordt niet meer in het bos aangetroffen en kan dus bijgevolg niet spontaan uitzaaien. (zie Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen, Maes B.) Hij werd vroeger economisch weggeselecteerd omwille van zijn zachte hout dat economisch minder interessant was. Het is echter een goede strooiselverbeteraar als alternatief voor het zure beukenblad. Andere mogelijkheden zijn Wintereik, Spaanse aak...Aanplanten heeft als doel de bestaande boskernen te versterken. Vooral perimeter 2 en 3 alsook het westelijk deel van perimeter 1 komen hiervoor in aanmerking.
Een combinatie van aanplanten (beperkt) en verder spontaan laten evolueren tot bos zal op de meeste van deze percelen als beheersmaatregel gekozen worden.
Om meer variatie in het gebied aan te brengen kan er op deze stukken een maaibeheer worden uitgevoerd dat tot doel heeft de mantel en zoom situatie te versterken. Er worden aldus meer randsituaties gecreëerd waarvan verschillende organismen kunnen profiteren.
Middelhoutbeheer
Het middelhoutbeheer in bepaalde percelen is eigenlijk het verder zetten van het huidige beheer, zoals dit in de streek reeds lang gebeurt. Een rijke voorjaarsflora, met vaak uitbundige en massale bloei wordt hierdoor bevorderd. Soorten die hier van profiteren zijn o.a. Bosanemoon, Slanke sleutelbloem en Donkersporig bosviooltje. Het in stand houden van middelhoutbos zorgt ook voor bijkomende structuurvariatie (± te vergelijken met randsituaties).

Schaarser wordende broedvogels zoals de Nachtegaal broeden in Vlaanderen (s.s.) preferentieel in de dichte fase van middelhoutbossen (Tack, mond. med.). O.a. de Boompieper verkiest de open en jonge fase.
Criteria om te kiezen voor een middelhoutbeheer binnen het bestaande boscomplex zijn:
- De aanwezigheid van een nog goede hakhoutstructuur, een soortenrijke kruidlaag met soorten die goed reageren op een middelhoutbeheer en de aanwezigheid van hoofdzakelijk inheemse soorten.
- Historisch-landschappelijk kader: bij voorkeur gebeurt deze beheersvorm op plaatsen waar reeds lange tijd een middelhoutbeheer gevoerd wordt. Deze percelen sluiten aan bij een landschap, waarin ook cultuurhistorische elementen aanwezig zijn (lineaire en puntvormige landschapselementen) en belangrijk geacht worden en waar ev. ook reeds lang bebouwing voorkomt.
- Bereikbaarheid: de exploitatie mag zeker niet de bosvegetaties met optie "bijna natuurlijk bos" hypothekeren. Daarom werden voor het middelhoutbeheer percelen uitgekozen die aan de rand van de bossen liggen, goed bereikbaar zijn en bij het kappen weinig schade opleveren voor naburige percelen.
- Er is reeds spontane verjonging aanwezig, zodanig dat er niet of zeer weinig hoeft te worden aangeplant.
In het natuurbeheer wordt het middelhoutbeheer gevoerd op een extensieve manier: er gebeurt geen grondbewerking, noch bemesting. Daarbij moet men streven naar een natuurlijke ontwikkeling en een gemengde opstand (Londo, 1991). Hierbij worden bomen die zich spontaan vestigen mee ingeschakeld in de kapcyclus van het hakhout of worden ze overgehouden als spaartelg. De soorten die in het Burreken het best in aanmerking komen hiervoor zijn Gewone es, Zomereik en Zoete kers omdat dit bomen zijn die veel licht doorlaten (en omdat er heden van deze bomen spontane verjonging merkbaar is). Indien nodig kan bijkomend aangeplant worden.
Extensivering gebeurt ook door middel van het kiezen van een vrij lange kapcyclus, waarbij het specifieke karakter nog goed intact blijft en zeldzame soorten nog aanwezig blijven. Kapcycli van 15-20 jaar kunnen voor de betreffende bossen zeker aangehouden worden, rekening houdende met de actuele rijkdom van percelen, waarbij het beheer "verwaarloosd" is. Oorspronkelijk werden vaak kapcycli van 9 jaar gebruikt.
Het kapbeheer gebeurt op een kleinschalige manier.
OPEN LANDSCHAP
Halfextensieve begrazing
Alle weilanden in het Burreken die niet in beheer zijn bij Natuurpunt worden vrij intensief beheerd. Dit wil zeggen dat de dichtheid aan koeien op de percelen maximaal wordt benut. Het beheer dat wij voorstaan heeft tot doel om een geleidelijke overgang te creëren van een sterk bemest en intensief beweid systeem naar een onbemest extensief beheer. De graslanden gaan met een korte vegetatie de winter in. Er wordt uitteraard niet meer bemest. Een grasland met verschillende soorten grassen en kruiden is het streefdoel. (type Kamgraslanden)
Op enkele kleinere weidepercelen die grenzen aan het bos laten we een duidelijke mantel/zoom vegetatie ontwikkelen. Bedoeling is om de strakke grenzen tussen bos en weiland te vervagen. (Zie foto's)

Halfxtensieve begrazing zal als definitieve beheersvorm worden toegepast in de zones waar voor het cultuurlandschap werd gekozen.
Maaibeheer/hooilanden
Heden worden enkele kleinere percelen als hooiland beheerd. Het maaibeheer heeft een specifiek botanisch doel. Op enkele natte hooilandjes proberen we soorten als Gevlekte orchis te behouden. Een eenmalige maaibeurt gebeurt in augustus. Deze mesofiele hooilandjes (Dotterbloemverbond) worden als biologisch zeer waardevol beschouwd. Sommige van deze hooilandjes werden na WOII volgeplant met Canadapopulieren. Deze dienden eerst verwijderend te worden vooralleer het maaibeheer terug kon aangevat worden.
In 2007 werd gestart met herstelbeheer op een zuidelijk geörienteerde zandlemige talud. Deze was helemaal verbraamd. Soorten als Gewone brem, Valse salie, Gewone magriet, Brunel etc. krijgen terug volop kansen.

Kleinschalige landschapselementen (KLE)
In de buurt van bebouwing wordt er geopteerd om het kleinschalig cultuurlandschap te versterken. Zo werd in het noordelijk deel van perimeter 1 in 2004 een boomgaard aangeplant.
Lintvormige elementen als hagen, houtkanten en knotbomen worden periodiek onderhouden. Waar nodig worden er nieuwe verbindingen gecreëerd met inheemse bomen en struiken. (bv. hazelaar, meidoorn, sleedoorn, es, spaanse aak...) Indien mogelijk maken we gebruik van autochtoon genenmateriaal. Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen probeert elk jaar zoveel mogelijk zaad te oogsten van gekende autochtone bomen en struiken in de Vlaamse Ardennen.
Een ander voorbeeld is het aanleggen van poelen. Ze fungeren als stepping-stones voor amfibieën doorheen het landschap.
INTERMEDIAIR OPEN/GESLOTEN
Jaarrondbegrazing
Begrazing in een communaal systeem kan slechts starten als een voldoende groot blok, aaneensluitend bos/grasland en/of akker, in beheer is. Enkel perimeter 1, de kern van het centrale deel, komt hiervoor in aanmerking. De totale oppervlakte van dit gebied is +/- 145ha, waarvan oorspronkelijk 37ha bos, 30ha akkers en de overige oppervlakte door grasland wordt ingenomen (situatie eind 20° eeuw).
De begrazing in het Burreken heeft precies de bosuitbreiding en ontwikkeling van struwelen in de omliggende graslanden en akkers tot doel. Vanaf april 2008 is er gestart met jaarrondbegrazing.
Dit stuk met een oppervlakte van +/- 15ha
is te situeren tussen de Krombeek en de Ganzenberg.
Waarom jaarrondbegrazing?
Het voordeel van extensieve jaarrond begrazing t.o.v. seizoensbegrazings is dat er een natuurlijker begrazingspatroon ontstaat. (differentiatie in tijd en ruimte) Ook zijn de dieren verplicht om in de winter hun toevlucht te nemen tot de minder 'smakelijke' delen van de vegetatie. (bramen, adelaarsvarens, boomschors enz) Sommige delen zullen heel intensief begraasd worden anderen stukken juist niet. Het hierdoor ontstane kruidenrijk grasland is vooral voor de entomo-fauna van groot belang. Ook kleine zoogdieren zoals muizen e.d. profiteren mee van de hogere dekkingsgraad in combinatie met een verhoogd voedselaanbod.
Waarom begrazing combineren met bosvorming?
Algemeen wordt aangenomen dat begrazing door grote herbivoren één van de belangrijkste factoren is bij de vorming van de vegetatiestructuur. Begrazing moet er ook voor zorgen dat het geheel niet uniform dichtgroeit. Zoals bijvoorbeeld wel het geval zou zijn indien we alles zouden aanplanten of spontaan zouden laten verbossen. Het resultaat zou een homogeen bos zijn zowel in ruimte (overal gesloten bos, horizontale structuur) als in tijd (bos van dezelfde leeftijd, verticale structuur)
Welke dieren komen hiervoor in aanmerking?
In't Burreken komen er van nature geen hoefdieren meer voor (met uitzondering van het ree dat weer af en toe wordt waargenomen in de streek). We doen een beroep op (half-)gedomesticeerde runderen. Deze Galloway koeien komen oorspronkelijk uit Schotland.
Ze worden gekenmerkt door een grote zelfredzaamheid en hebben een ruwe vacht. Ze kunnen dan ook in barre weersomstandigheden 'hun plan trekken' (uiteraard worden ze opgevolgd door een dierenarts). Naast de 5 Galloway koeien die reeds vanaf april 2008 in het gebied lopen zijn er in mei 2011 3 exmoors bijgezet. (zie filmpje www.vroegevogels.vara.nl doorklikken naar TV en dan 19 april opzoeken) Exmoors zijn een rechtstreekse afstamming van 'the british hill pony' zoals die al duizenden jaren in Europa voorkwam. Deze kleine paardjes zijn nooit ingekruist met andere paardenrassen en hebben hun eigen DNA behouden. Exmoor in Z-W engeland was de laat§ste plaats in Europa waar een 40-tal dieren het tot in de 20° eeuw hebben kunnen uithouden. Door hun grote zelfdredzaamheid zijn het anno 2010 veel gebruikte dieren in grote natuurgebieden in West-Europa. De combinatie van koeien en paarden werkt faciliterend. Koeien eten met hun tong het lange gras terwijl paarden het daarna nog korter afbijten met hun tanden. Er lopen 8 dieren op een oppervlakte van 15ha. Deze hoge dichtheid moet voorkomen dat op de voedselrijke leembodem het volledig gebied dichtgroeit en alles evolueert tot bos.
Hoe open willen we ons landschap?
Het streefbeeld is 2/3 open, 1/3 gesloten. Bedoeling is hier een soort procesnatuur op gang te laten komen. Het creëren van een mozaïeklandschap staat centraal. Korte grazige stukken worden afgewisseld met bramenstruwelen, ruigtes en kleine bosjes. Doornige struiken als slee-en meidoorn alsook bramen beschermen de opschietende boompjes tegen vraat. Eénmaal boven de vraatgrens kunnen ze uitgroeien tot solitaire bomen of bosjes.
Naast een grote ecologische rijkdom aan planten en dieren is er ook een esthetisch aspekt. Gans het gebied krijgt hierdoor een veel natuurlijker/wilder karakter. De paarden en koeien die er in (half) wilde toestand rondlopen zijn een deel van het ecosysteem. Dikwijls zijn deze gebieden gekenmerkt door eeuwen oude bomen, meestal eiken. Dit zogenaamde parklandschap of wastine wordt door sommige auteurs (Vera, F.) als een mogelijk alternatief gezien voor de climax vegetatie van het gesloten oerbos in het laagland na de laaste ijstijd (+/- 10.000 jaar geleden). Voorbeelden van zo'n landschap die nu nog in Europa te vinden zijn o.a. Borkener Paradis (D), Dyrehave (DK) en New Forest (GB).
Of dit referentiebeeld al of niet strookt met de waarheid is hier minder van tel. Het belangrijkste voor het Burreken is dat hier voor het eerst (gecontroleerde) spontane processen een kans krijgen waarbij niet op voorhand vastligt hoe het gebied er in de toekomst zal uitzien. De grote vraag naar de toekomst is of onze grazers het landschap op een bepaalde fase kunnen 'bevriezen'? Kan het landschap zijn open karakter behouden of zal successie toch de overhand nemen? Dit alles zal de komende jaren van nabij opgevolgd worden door de beheersploeg van Rondom Burreken samen met Jan Vanuytvanck van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoekbehoud.
zie ook http://www.inbo.be/files/Bibliotheek/84/169184.pdf
In het huidige natuurbeheer wordt steeds meer belang gehecht aan een meer natuurlijke ontwikkelingsdynamiek. Zo wordt expliciet het belang erkend van (semi-)permanente open ruimtes (interne en externe), mantels en zomen, lichtminnende planten (incl. houtige soorten),en het behoud of de ontwikkeling van zeldzame struweelvegetaties. De basismotor van een natuurlijke ontwikkelingsdynamiek zijn allerlei (natuurlijke) verstoringsvormen. Een *procesgerichte i.p.v. een biotoopgerichte *benadering van het beheer komt hieraan tegemoet. De hoge natuurwaarden van complexe mozaïeken met de hoger vermelde vegetatiestructuren worden vaak geassocieerd met extensief graasbeheer. Een dergelijk beheer wordt steeds vaker gebruikt in natuur- en bosgebieden.